Wachten op gekookte kinderen (Irak)

Domiz, Iraaks Koerdistan, september 2012

“Kijk hoe we hier zitten. We kunnen slechts toezien hoe onze kinderen hier levend gekookt worden.” Ik zweet. Het zeil waaronder we zitten lijkt net niet te sudderen. Mohamed vraagt me om hulp. Of er in Europa iemand iets zou kunnen doen voor zijn dochtertje? In een zielige wieg naast een versleten ventilator ligt een kleuter met een hersentumor.

Tien minuten eerder ben ik in de oude Mercedes van m’n gids Salar het kamp binnengereden. We botsen op een rij jongemannen en kinderen, die op de voedselbedeling wachten – hun potten blinken, hun ogen zijn uitgeblust. Links en rechts hoor ik een hello, my friend, in de verte klinkt gebrom. Op een met brood volgestouwde pick-up maakt een man zich boos op enkele omstanders. Hij wil kalmte, zij willen eten. In het woestijnachtige decor zie ik honderden beige-bruine tenten opdoemen.

Het is de nazomer van 2012. In dit vluchtelingenkamp in Iraaks Koerdistan vertoeven 23.000 Syrische vluchtelingen. Ik leef al verschillende dagen in 35 graden en meer, en toch is het hier héét – door het blakerende zand, de dampende mensenmassa. Mohamed, die alleen nog een matras en vier dekens bezit, vertelt over zijn vlucht. Hoe hij zijn oude ouders achtergelaten heeft. “Het enige wat ik wil is opnieuw naar huis gaan. Nu doen we niks anders dan liggen, staren en wachten. Misschien duurt het nog één jaar. Misschien vijf. Misschien tien.”

Als een situatie hopeloos is, grijp je elke kans. Ook als die er jong en onbeholpen uitziet. Verschillende kampbewoners klampen me aan. Dat ze te weinig dekens hebben. Dat het water op geraakt. Dat ze al tien dagen niet meer gedoucht hebben.

Alleen Diyer en Abdel tonen zich ietwat opgewekt. Ze hebben daar ook een reden voor: ze hebben net werk gevonden in de stad. De één in de bouw, de ander in een pizzeria. Ze praten evenwel niet over deeg of cement. Ze maken een vergelijking tussen Saddam Hoessein en Bashar al-Assad. Vijfentwintig jaar geschiedenis uit het Midden-Oosten in een notendop. “De situatie in dit vluchtelingenkamp is even tragisch als in Syrië, maar hier ben ik tenminste veilig”, besluit Adel. “In Syrië sterf ik sowieso. Als Syrische Koerd zit niemand met mijn leven in. Een oplossing? Die is er niet. Een eerste stap is de dood van Assad. De dag dat hij sterft, eet ik mijn lunch in Syrië.”

Voor mijn bezoek aan het kamp hoor ik links en rechts dat het in Syrisch Koerdistan al bij al zo erg niet is, dat Syrische Koerden vooral naar Iraaks Koerdistan vluchten om economische redenen. Anderen vertellen dat die Syrische Koerden net wel de kant van Assad kiezen, omdat ze een zekere autonomie in ruil krijgen. Sommige locals vervloeken jongens als Diyer en Abdel dan weer, omdat ze onder de prijs werken. Ik weet alleen dat die Syrische lunch nog niet voor morgen is.

Dokter Alaa Hussein Skukur van Artsen Zonder Grenzen vertelt dat het kamp één voordeel heeft: dat het voornamelijk bewoond wordt door jonge, viriele mannen. Ik zie hoe een oudere vrouw ondanks alles haar tent opkuist, de matten uitklopt. Twee jongens en een meisje vertederen met een zelfgemaakt autootje van ijzerdraad. Onder een zeil krabt een kind met samengeklitte haren het vel van haar been. Haar ouders, tantes en nonkels lachen me toe. Mijn schoenen staan, zoals dat hoort, buiten de tent. Ik krijg thee en sigaretten aangeboden. Zo gaat dat in het Midden-Oosten. Deze mensen bezitten bijna niets meer, maar ik ben hun gast. Ze vragen me niets in ruil. Als ik nog eens terugkom, ben ik opnieuw welkom.

Tussen de onoverzichtelijke rijen tentjes proberen jonge ventjes sigaretten aan de man te brengen, hier en daar staat een kraampje met frisdrank of koekjes. Ik passeer lemen, geurende kotjes die dienstdoen als toilet, een omstander verbiedt me om een kijkje te nemen. Hij wijst me wel de weg naar de douche: achter vier gordijntjes drupt een verroest waterkraantje. Een beetje verderop kijk ik uit pure nieuwsgierigheid in een kleine put. Een vrouw brengt me met gebarentaal excuses over, dat ze toch ergens haar gevoeg moet doen. Een paar kinderen vragen me om een foto te nemen. Meer nog dan de verzengende hitte put het decor me uit.

Een angst die me telkens weer overvalt is mijn sociale fobie. Omringd worden door te veel mensen. Hier kom ik er niet onderuit. In de plaatselijke moskee sta ik plots tussen tientallen jongemannen. De geur van zweet neemt de bovenhand. Op de grond in het gebedshuis ligt een paar honderd man. Tastbaarder zal het woord miserie niet worden.

Bij mijn intrede maken ze met wijs- en middenvinger het vredesteken. “Wij zijn de soldaten van het leger van Assad”, zegt de 27-jarige Ahmed, die zich dankzij zijn talenkennis opwerpt als woordvoerder. De mannen beweren dat ze normaal in het leger moesten dienen, dat ze niet willen vechten en dus gevlucht zijn. Er worden filmpjes getoond op de gsm, we moeten op de foto.

Ahmed komt tot een opmerkelijk besluit. Morgen keert hij naar Syrië terug.  “Omdat de situatie hier rampzalig is.” Dat dat evenzeer het geval is in Syrië, probeer ik.  “Jawel, maar ik sterf liever in mijn eigen land dan hier.”

Een kereltje dat Salar en mij al langer half volgt half gidst, komt naast me lopen. Hij loodst ons richting ingang. Ik vraag of hij een blikje Cola wil. Zijn hoofdje slingert schuchter van neen. Hij verdwijnt tussen de tenten. Ik loer naar Salar, die bij zijn Mercedes staat. Hij heeft enkele uren met een halve glimlach door dit ellendige kamp gewandeld, maar kijkt nu beteuterd. Er hingen twee Koerdische vlagjes aan zijn auto. Iemand heeft er eentje afgescheurd.

(Met mijn oprechte dank aan de Iraakse familie Binavi en Gerda Juchtmans.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s