Kadavers naast het bad (Oeganda II)

Adjumani, Oeganda, maart 2014

Het weggetje naar de geïmproviseerde speeltuin loopt langs latrines. Een kleuter raapt stenen op aan een gezandstraald zeil. Het is de toegang tot een doorboorde blok die dienstdoet als toilet. Achter me schuiven stille vrouwen aan voor water, voor me zorgen kwieke kinderen voor rumoer. De kleurigheid van een wankele schuifaf steekt af tegen de zandkleurige omgeving. Alles oogt triest, maar de joie de vivre van de kinderen is nog niet verdampt. De kleuter waggelt weg van de plee. Ik word al een week geteisterd door wat het Tropisch Instituut buikloop noemt, maar ben die ochtend mijn dagelijkse portie Immodium gelukkig niet vergeten. Krijg hier maar eens diarree. Het is wat de meeste vluchtelingen in kampen als deze overkomt. Cynisme is een karaktertrekje van Het Leven.

In het zogenaamde transitkamp worden pas gearriveerde vluchtelingen geregistreerd. Een truck voert hen dagelijks van de grens naar deze plek. Een rijzige vrouw staat in een bedompte tent met een baby in de armen. Ze moet uitleggen waar ze vandaan komt, hoeveel kinderen ze heeft, en zo gaat dat nog even door. Ze kan hier een paar weken blijven, dan verhuist ze alweer naar een van de vele andere kampen. Het belangrijkste puntje op haar vragenlijst: haar etniciteit. “We proberen de etnische groepen te scheiden, zodat het ook in deze kampen niet tot clashes komt”, vertelt een zekere Frieda.

Volgens haar papieren verblijven hier nu zo’n 10.000 mensen. Een paar kilometer verderop is er een settlement met opnieuw 22.000 vluchtelingen. De eerste winkeltjes en zelfs een café zijn langs de zandweg opgetrokken. Ergens tussenin, verloren, staan nog wat hutjes. “Dat zijn de vluchtelingen die zich liever wat afzonderen.” Wie een beetje gemeenschapsleven wel verteert, kan hier verder. Wie er niet van houdt, wordt gek. Kampen zijn kampen omdat het eerste wat je kwijtspeelt je privacy is.

Oeganda

Dankzij Rode Kruis Vlaanderen kan ik langs vier verschillende kampen passeren. In de wagen draait een cd van de Dire Straits. Chauffeur Herbert maakt duidelijk dat hij de klanken wel apprecieert. Misschien zou hij graag een Sultan of Swing zijn? Zijn auto zwiert al. Langs amper berijdbare wegen hobbelen we van kamp naar nederzetting en weer terug. Het verschil tussen lokale dorpjes en Zuid-Soedanese vestigingen is klein. In de oudere kampen zijn de tenten steeds vaker vervormd tot hutjes.

Een van de hulpverleners meent dat de Oegandese bevolking in het arme noorden mee profiteert. “De lokale overheden geven toestemming om hun grond te gebruiken. In ruil krijgen ze wegen, waterputten en schooltjes.” Ik zie schooltjes noch wegen. Waterputten zijn er ondertussen wel. Ze zorgen voor een constante in alle kampen: rijen van vrouwen en kinderen met gele jerrycans.

De mannelijke vluchtelingen zijn duidelijk in de minderheid. “Zij zetten hun vrouwen en kinderen af aan de grens, en keren dan terug. Om te vechten of hun eigendom te beschermen.” Naar het schijnt heeft dat een belangrijk voordeel. “Onlangs zijn er enkele kinderen gestorven aan meningitis. De meeste medische zorg richt zich op malaria, diarree en hiv. Door het lage aantal mannen zijn er gelukkig veel minder verkrachtingen. Want ja, ook dat is vaak een groot probleem in vluchtelingensituaties.”

Oeganda

Uiteindelijk ontmoet ik Jesus. Hij zit helemaal alleen in de heetste aller tenten. Zijn job: mensen terug samenbrengen. Zo gaat dat met Jezussen. Wie een familielid of vriend mist, kan zich bukkend onder het zeil begeven. Als de gezochte persoon ook maar ergens geregistreerd staat, brengt Jesus hen in contact. Voor sommigen is hij evenwel overbodig. Omdat ze niemand meer hebben. Die mensen worden dan weer doorgestuurd naar Brian, psychosociaal consulent. Alsof hij meteen weet wat journalisten het liefste doen, zegt hij uitdrukkelijk dat het moeilijk zal zijn om naar de achtergrond van deze mensen te peilen. “Ze zijn bang, ze zijn getraumatiseerd. Ze gaan je niet vertellen wat er in Zuid-Soedan aan de hand is.” Hij wijst naar een vrouw: “Ze heeft me net verteld hoe haar familie uitgemoord is.” Ze wil alles vergeten, zegt ze.

Wanneer ik twee mannen vraag wat er in Zuid-Soedan aan de hand is, bevestigen ze de stelling van Brian met zenuwachtige lachjes en snelle antwoorden. “Het is er oorlog, hè.” En even later: “Als we gebleven waren, waren we nu dood.” Ze zullen pas terugkeren wanneer het veilig is, zeggen ze, maar ze hebben er geen idee van wanneer dat zal zijn. Ze beweren dat er nog veilige plekken zijn in Zuid-Soedan. Waarom ze daar dan niet naartoe gaan? Opnieuw een zenuwtrekje. Omdat ze niet met de stammen daar kunnen samenleven, natuurlijk. Nu staan er plots twintig kwebbelende vrouwen rond me. Allemaal willen ze hun ei kwijt. Sommigen vinden het grappig. Een vrouw werpt op dat anderen niet hoeven te klagen, dat zij en hun stam aan de basis liggen van alle miserie. Ik ken niks van stammen. Ik vraag de kalme Khalifa wat hij vroeger deed. “Vroeger was ik chauffeur”, zegt hij. “Nu zit ik de ganse dag onder een boom.”

Een lokale Rode Kruis medewerker bekent dat hij bang is voor de toekomst in de kampen. “Je moet ze allemaal uit elkaar houden. Vanaf het moment dat er een stam de meerderheid heeft binnen een kamp, kunnen de anderen het vergeten. Recent nog moesten we twee jongens redden van een lynchpartij.” Een vluchteling deelt in het rumoer mee dat er te weinig medicamenten en scholen zijn, een buitenlandse hulpverlener meldt dat dat een hoopgevend signaal is: “Als ze daarover klagen, wil dat zeggen dat al voorzien wordt in de primaire noden.” Hulpverleners zijn niet alleen aanzienlijk nuttiger maar ook veel optimistischer dan journalisten.

Oeganda

Langs de Nijl keren we terug naar de stad. Een dure machine zuivert opgepompt water, trucks brengen het drinkwater vervolgens verder. Het smaakt een beetje naar zwembad, maar dat is goed zo. “Het water is verschrikkelijk vervuild, door schijtende beesten, door vuile kleren die gewassen worden, door al het afval dat je je kan inbeelden.” De man die het zegt, blijft stil wanneer we wat verderop vijf rustig badende vluchtelingen passeren. In het decor ligt het kadaver van een koebeest bij 40 graden te ontbinden.

’s Anderdaags aanhoor ik hoe een verantwoordelijke van een hulporganisatie een dertigtal vrijwilligers toespreekt. Tijdens z’n speech vraag ik me nog steeds af of ik ooit zo’n weerzinwekkende odeur geroken heb. Ik hoor de man tegen de vrijwilligers zeggen dat ze onmisbaar zijn. Omdat er maar één jeep ter beschikking is, worden ze vervolgens in kleine groepjes richting de verschillende vluchtelingenkampen vervoerd. De eerste groep moet de sputterende wagen zelf in gang duwen. De man overtuigde nochtans met een sterke slotzin: “Het is onze plicht om deze mensen te helpen – omdat ook wij ooit vluchtelingen kunnen zijn.” Ik kom tot het besluit dat ik nooit eerder zo’n stank geroken heb.

(Met dank aan Joris D’havé en Rode Kruis Vlaanderen. Met de steun van Beyond Your World.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s