Laat nu toch die God los (Oeganda I)

Bubukwanga, Oeganda, maart 2014

Juli, 2013: het west-Oegandese dorpje Bubukwanga wordt overstelpt door tienduizenden Congolezen. Nu, acht maanden later, is er amper nog iets te zien van de gevluchte mensenmassa. Tegenover het ziekenhuis, de voorpost van het bijna verlaten vluchtelingenkamp, kost een liter vervallen Pepsi één euro. Een jongedame vult plastieken zakjes met door vliegen voorgeproefd mangosap. De locals in hun lemen huisjes met aluminium daken kijken vreemd naar de mzungu, de blanke. Alsof hun ogen zeggen: “Wat kom jij nog doen? Je bent te laat. Alle witten zijn alweer weg.”

Mijn lokale contact, Tibamwenda Smith, die vrijwilligerswerk doet namens de Presbytarian Church, vertelt hoe hij hier enkele maanden geleden minstens 60.000 mensen zag. “We gaven hen bijbels. En soms ook eten.” Hij voegt eraan toe dat sommige Congolezen zo snel en onverhoeds moesten vluchten dat ze Het Boek niet konden meenemen. In het openlucht-ziekenhuis wil ik een vraag stellen aan een dokter. Hij zegt dat ik ter betreding van het hospitaal en het kamp toestemming nodig heb van de kampcommandant.

Oeganda

In een belachelijk tentje deelt een dame mee dat de kampcommandant er niet is. Mister Smith begint te telefoneren, ik slenter wat rond. Twee minuten later vraagt een agent me om tot bij hem te komen. Sergeant Mabonga Francis zegt dat er nog 559 vluchtelingen in Bubukwanga verblijven. En dat hij hier geposteerd is om in hun veiligheid te voorzien. Hij is eerder kortaf, tot ik hem – altijd glimlachen – de big boss noem.

Nog een ander figuur wil weten wat ik kom doen. Iedereen vraagt naar toestemming uit Kampala. “Laten liggen op het hotel”, zeg ik. Ik toon m’n Belgische perskaart. Er wordt eens mee gedraaid. De brombeer zegt: “Uiteraard is informatie hier vrij. Maar als je iedereen zomaar informatie geeft, weet je niet waar het eindigt met al die informatie.” Ik wend me terug tot de sergeant en vraag of ik een foto van hem mag nemen – kwestie van iets te doen. Hij schudt van neen. Dan denkt hij na, terwijl hij mijn camera in zich opneemt.

  • Krijg ik een kopie?
  • Tuurlijk. Ik zal je de foto doorsturen via e-mail.
  •  Ik heb geen e-mail.
  • Hoezo?
  • Ik ben arm. Ik heb geen e-mailadres.
  • Maar jij bent de big boss. Jij beschermt al die mensen hier. Jij moet toch goed betaald worden? (Altijd glimlachen.)
  • Neen. Als politieagent krijg je hier alleen je outfit en je schoenen. Met mijn loon kan ik alleen wat zeep kopen om mijn schoenen te poetsen. Soms blijft er iets over voor mijn familie. Van wie zou ik een waardig loon krijgen? De overheid? We beschermen de mensen, zorgen voor balans in de samenleving. En we krijgen niets. Ik ben arm, weet je.

Zo klinkt dat dus, tactvolle tips tot corruptie.

Uiteindelijk arriveert de kampcommandant. Hij heeft zijn titel niet gestolen, al zou de Duitse versie, lagerkommandant, hem nog beter af gaan. Ook hij vraagt of ik toestemming uit Kampala heb. Nadat hij een paar keer zuchtend zijn ogen uitgewreven heeft – een plan bedenken duurt hier altijd even – zegt hij dat hij me wel wat info kan geven. Hij geeft andere cijfers dan mister Smith en sergeant Francis. Ik vraag hem of het moeilijk is, die vluchtelingenstroom in een arm land als Oeganda. “Neen, dat is een kwestie van verantwoordelijkheid. Als jij slechte buren hebt, help je hun kinderen toch ook? Oegandezen zijn een heel genereus en gastvrij volk. Soms té. Je kan hier zelfs informatie krijgen zonder toestemming.” Een lachje kan er niet af. Hij geeft me zogezegd de officiële permissie om het kamp binnen te gaan. Omdat hij speciaal voor mij hierheen gekomen is, claimt hij mijn chauffeur. Zo gaat dat dus, effectief overgaan tot corruptie.

Oeganda

In een stronthete tent is een roze lapje stof het enige wat een uitgemergelde man bedekt. Aids. Hij is één van de locals in de ziekenboeg. In twee andere UNHCR-tenten liggen zwangere vrouwen en zieke kinderen. Aan de achterkant van het hospitaaltje staan rijen en rijen leegstaande tenten. Houten palen en uitgedroogde aarde. Hier sliepen ruim een half jaar geleden opeengepakte mensen op de grond. Mister Smith zegt dat bijna alle Congolezen doorgestuurd zijn naar een kamp in Kyangwali, een eind verderop. “Het probleem was dat er veel mensen wilden terugkeren toen er nog gevochten werd. Ze gingen het gevaar tegemoet. Voor hun eigen bestwil zijn ze verder weg geposteerd. Het is er ook beter dan hier. Diegenen die hier overblijven zijn vooral zieken, vrouwen en kinderen.”

Twee gigantische speeltuinen hebben de looks van een verlaten manege. Mister Smith heeft het opnieuw over bijbels. Uit twee kleine tentjes komt lawaai. Zes kinderen liggen op matrassen waarvan de dikke dekens net niet uit zichzelf wegkruipen. Een verzorgd hondenkot ruikt beter. In de tent ernaast tonen Emmanuel (37) en Sorgi (39) ingebeelde lijnen. De drie verschillende vakken vormen de klasjes voor drie leeftijdscategorieën. Achter een zeil liggen afval en twee matrassen. Dit is de woonst van de twee leraars die zelf acht en zeven kinderen hebben en nu de 200 overgebleven jongeren onderwijzen.

Elder Smith deelde in het Engels mee dat het andere vluchtelingenkamp beter is, nu vertelt Emmanuel in het Frans dat al zijn vrienden terugkeren van Kyangwali omdat het gevaarlijker en veel onaangenamer is dan hier. Zelf vinden ze Bubukwanga wel ok. Ze kunnen slapen en leven. Het eten bestaat elke keer opnieuw uit maïs met bonen maar het kon erger. Misschien zijn achterbuurten in Somalië inderdaad erger.

Oeganda

Uiteindelijk beland ik bij een familie van zeven zussen en broers die pas een paar dagen eerder gearriveerd zijn. Ze komen uit de buurt van Goma. De waaromvraag krijgt een diffuus antwoord. Het meisje dat zich opwerpt als gesprekspartner praat stil. Volgens een van de loopjongens van de kampcommandant eten deze mensen te weinig. Ik vraag haar wat ze doen. Niks. Alleen maar zitten. Soms naar een boom wandelen omdat het in de tent te heet wordt. Of ze nog iets in hun bezit hebben? Ze wijst naar de drie matrassen. De zachte klanken uit haar mond galmen ontzettend deprimerend. De woorden troosteloos en meelijwekkend vormen samen de perfecte omschrijving. Het notitieboekje dat op mijn dijbeen rust, plakt aan mijn bezwete onderarm. Ik zeg met platte stem en flauw handje tot ziens. Mister Smith draagt me op om mee te delen dat God voor hen zal zorgen. Ik zeg: “Il vous souhaite tout le meilleur.” Inwendig neurie ik een liedje van Stijn Meuris.

Halfgaar van de hitte wuif ik uiteindelijk naar twee kinderen die mzungu, mzungu roepen. De witte is weg. Ik negeer de sergeant die hier ook ergens moet zitten. Ik vraag chauffeur Mathi, die dankzij de commandant tien euro uit mijn portefeuille heeft verdiend, of hij een Cola wil. Hij antwoordt van neen. Hij drinkt geen Pepsi, alleen Coca. Mister Smith wenst me een goede reis. Dat God me mag beschermen.

Een paar dagen later stuurt hij me een mail met de melding dat er ruim 200 Congolezen verdronken zijn in Lake Albert. Ze wilden alleen maar naar hun geboortegrond terugkeren. Hij vraagt om voor hen te bidden, en sluit af met God Bless. Ik neurie opnieuw. Laat nu toch die God los.

(Met de steun van Beyond Your World.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s