Blootvoets door de vrieskou (Libanon)

Bekaavallei, Libanon, december 2013

Pets. Een steen ketst tegen de achterruit. We zitten in een voor de omstandigheden te chique auto. In de spiegel zie ik hoe een jong kereltje – de dader die het ding gooide, blijkbaar – klappen krijgt van twee aanstormende agenten. Voor ons stuift een camionette weg.

Op het moment dat cameraman Gieljan en ik naar de tent van een ontredderde Syrische vrouw stappen, beginnen enkele vluchtelingen en hulpverleners te vechten. Een van de vrijwilligers beweert nadien dat ze even kwamen kijken of deze mensen hulp nodig hadden (ja, dat ziet zelfs een blinde), een ander meent dat ze een familie in hoge nood kwamen zoeken maar niet vonden. Het luik van de camionette bleef evenwel dicht. Ongewild getreiter met colère tot gevolg.

De mannelijke coördinator zit uiteindelijk boos voor me in de auto, zo gaat dat met testosteron. Zijn vrouwelijke collega sust: “Acht, wat zou je zelf doen? We hadden hier nooit mogen stoppen zonder iets uit te delen. Deze mensen zijn radeloos. Beeld je eens in dat je je kinderen niet te eten kunt geven.”

Ik heb gelukkig geen kinderen.

De winterstorm Alexa is net over het Midden-Oosten getrokken. De bommen van Assad en de terreur van extremisten zijn onvoldoende, de natuur doet er een ijzig wit schepje bovenop. Het kleine Libanon kreunt onder de vluchtelingen, die op hun beurt bibberen. In Saadnayel beweert burgemeester Khalil Al Chehimi dat er thans meer vluchtelingen dan locals in zijn stad wonen.

Ik vraag of we de vluchtelingenkampen op zijn grondgebied mogen zien. Al Chehimi stuurt ons twee stevige agenten mee, die aan het tankstation tanken zonder te betalen. “Nooit meer zal ik met flikken meerijden zonder mijn gordel te dragen”, grapt Gieljan. Het lachen vergaat ons. De twee voeren ons langs mislukte barakjes en smerige tenten. Ze sommeren ons even later op het dak van een onafgewerkt gebouw te gaan staan, zodat we een mooi uitzicht krijgen over iets wat op armtierige enclaves lijkt. Dit zijn geen vluchtelingenkampen, dit zijn wanhopige mensen die ergens, waar er plaats is, een onderkomen hebben opgeworpen. Beneden vragen de Syriërs om geld. De twee beren brommen. En rijden verder. Wat later troepen mensen samen rond de politieauto. We mogen geen foto’s nemen, de deuren gaan op slot.

Na nog wat toeren – de jonge agent stoot me meermaals aan, als wil hij zeggen: ‘Maar kijk dan, daar, nog vluchtelingen!’ – arriveren we aan iets wat wel op een kamp lijkt, met de typische tenten. Een blonde vrouw geeft schoentjes aan kinderen die bij dit vriesweer blootvoets rondhuppelen. Hier geen spanningen. Wellicht de verdienste van de vrouwen, met hun zachtheid zorgen ze altijd voor sereniteit. We besluiten dat het tijd is om de twee Rambo’s af te schudden. We vragen de mensen van de American Community School of we met hen mogen meerijden. De twee agenten laten ons niet tegen hun zin achter.

Het zijn de vrijwilligers van de American Community School die de steen tegen de autoruit krijgen. Ze doen evenwel dapper verder. Ik weet ondertussen al lang niet meer waar we nu net zijn. Langs de weg tussen Beiroet en Damascus ogen alle kampen en verzamelplaatsen die daarvoor moeten doorgaan even troosteloos.

We eindigen uiteindelijk tussen een tent of tien, op een veld omgeven door Libanese heuvels. “Je gelooft niet dat ze hier dag na dag leven”, zegt hulpverleenster Hoda. Geloven doe ik al lang niet meer. Bewoner Mahmoud, die naar eigen zeggen overleeft op brood en olijven, vertelt dat zijn leven voorbij is. De kinderen krijgen nieuwe schoenen en botjes. Ik beeld me in hoe het zou zijn als mijn drie kleine neefjes hier, op deze treurige plek, bij deze temperaturen, zouden rondlopen. Even komen er geen vragen meer.

Net als in Irak bieden de Syrische vluchtelingen drinken aan. Geen thee deze keer maar gitzwarte koffie. In een tent krijst een pasgeboren baby. Haar moeder schilt voor de tent wat groenten. Een paar kinderen maken het V-teken voor de camera. En beginnen – opgepookt door hun ouders – een lied te zingen waar we geen fluit van verstaan. Propaganda, ongetwijfeld, maar ze glimlachen. Ze proberen de camera te demonteren, springen naar ons op en klemmen zich rond onze benen. Zonder school, zonder voetbalveld zijn het onbekende bezoekers die voor afleiding moeten zorgen. Zonder dat ze het beseffen. De neefjes hebben dan toch even plezier gekend.

Enkele dagen later interview ik de directrice van het ziekenhuis in Zahle, een stad die over de Bekaavallei uitkijkt. Marysa is overdadig geschminkt en draagt een keurig mantelpakje. Ze wil na afloop de foto zien die Gieljan van haar gemaakt heeft. Ze overhandigt ons een pasfotootje. “Doe die foto van jou maar weg, en gebruik deze.” Op haar eigen beeld oogt ze een paar jaar jonger.

Na het interview volgt de verplichte smalltalk. Bij suikerkoekjes en koffie komen de Syrische vluchtelingen in de vallei aan bod. “Zijn jullie dààr geweest? Echt? Mensonwaardig is het. Zelfs dieren leven niet zo!” Plots kijkt ze ons verschrikt aan. “Jullie hebben toch hygiënische voorzorgsmaatregelen genomen?” Zou ze wegduiken als ik dichterbij kom? Ik beeld me in hoe ik met plastieken handschoenen en een mondkapje met de kinderen speel, als waren het wilde dieren, die krabben en bijten en stinken, en vraag me af of ik überhaupt m’n handen heb gewassen voor het avondeten.

(Met complimenten voor Gieljan Van Goethem en Redhorse Reporters.)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s